Van vijf naar drie: dat is de Beerselse balans ten opzichte van twintig jaar geleden. VC Lot Sportief ging in 2010 mee op in fusieclub Verbroedering Beersel-Drogenbos, die in 2003 al ontstaan was over de gemeentegrenzen heen. Volksclub KSV Alsemberg moest het eind 2014 dan weer verplicht voor bekeken houden nadat zijn veld aan het Zoniënwoudlaan te koop gezet werd door de gemeente en het stadion onder de sloophamer ging. Er werd nog wel een halfjaartje uitgeweken naar Lot, maar aan het einde van het seizoen 2014-2015 stopte het verhaal definitief voor Alsemberg.
“Wij proberen diversiteit te ondersteunen, zodat iedereen zich hier thuis kan voelen. En ja, dat betekent dan bijvoorbeeld ook dat als we hamburgers verkopen, dat die halal zijn”
Marc Siebens - Voorzitter SK Beersel
In twee deelgemeentes stopte het dorpsvoetbal dus, maar in de drie andere – Huizingen, Dworp en Beersel zelf – liep het verhaal wel nog door. Die laatste vormt misschien wel het meest opvallende verhaal, want Beersel trok zich los uit de samenwerking met Drogenbos en gaat sinds vorig seizoen weer onder eigen vlag door het leven.
“Wij zijn ‘ontfusied’ omdat de gemeente Drogenbos helemaal niets meer deed voor ons”, verklaart Marc Siebens, voorzitter van het ‘nieuwe’ SK Beersel. “Ook ons gemeentebestuur was voorstander van het idee om Drogenbos te laten vallen, omdat ze geen deel uitmaken van Groot-Beersel. Toen we de club overnamen in 2024, nadat het vorige bestuur stopte, hebben we de knoop doorgehakt om Drogenbos af te stoten.”
Liever iets beperkter
Daarmee kwam er een einde aan Verbroedering Beersel-Drogenbos in tweede provinciale, en begon het verhaal van SK Beersel in vierde provinciale. “Op zich moest dat niet eens, maar dat was wel een bewuste keuze die we maakten. We hadden toen tegen de eerste ploeg al gezegd dat het verhaal stopte omdat het hele plaatje financieel niet langer haalbaar was, maar dat we liever wilden investeren in de jeugd. Een eerste ploeg is vaak een verzameling huurlingen in feite, wij wilden liever in vierde provinciale herbeginnen met onze eigen jeugd.”
“Die focus op de jeugd blijft belangrijk, maar we houden daarbij ook heel bewust onze limieten in de gaten”, stelt Siebens. “Ook al is het vandaag heel moeilijk om voldoende trainers te vinden voor onze provinciale jeugdwerking, zeker als ze dan ook nog eens Nederlandstalig moeten zijn. Daarom dat we alles liever iets beperkter houden, ook al betekent dat dan soms dat je een aantal kinderen moet teleurstellen. Maar op dat vlak is onze visie duidelijk, wij verkiezen kwaliteit boven kwantiteit. We willen dat de kinderen plezier hebben in het voetbal. Als we op termijn zouden kunnen uitbreiden, is dat mooi meegenomen, maar wij willen liever rustig onze job kunnen doen en de kinderen helpen doorgroeien.”
Beerselse besognes
Al heeft men ook in Beersel wel nog af te rekenen met enkele uitdagingen, zo blijkt. Zeker wat betreft de relaties met de Huizingse buren zit er wat ruis op de lijn. “Huizingen ziet ons toch wel als concurrentie, dan is het moeilijk samenwerken. Er is een bepaalde spanning tussen onze clubs omdat wij ook heel wat kinderen uit anderstalige culturen laten instromen, terwijl Huizingen zich wat meer afgeschermd wil profileren als Nederlandstalige club. Pas op, dat was onder het vorige bestuur hier ook wel zo, maar wij willen er vooral zijn voor iedereen. Wij maken daar geen onderscheid in en laten hen hier in het Nederlands voetballen, ook al is bijna 90 procent misschien anderstalig thuis. Wij proberen die diversiteit te ondersteunen, zodat iedereen zich hier thuis kan voelen. En ja, dat betekent dan bijvoorbeeld ook dat als we hamburgers verkopen, dat die halal zijn.”
“Dat maakt het ook niet altijd even makkelijk om voldoende inkomsten te krijgen, want er zit toch nog wel een verschil in die culturen”, besluit Siebens. “Belgische ouders zouden misschien tien pinten drinken in de cafetaria, terwijl anderen maar één koffietje nemen. Maar ze komen wél iets drinken, en dat is voor ons ook al belangrijk.”
Hogerop met Huizingen
Over naar Huizingen dus, waar er sinds vorig seizoen in de hoogste provinciale reeks wordt gevoetbald. “De term ‘Hogerop’ staat in onze clubnaam, dus was het ergens logisch dat we zouden stijgen”, lacht secretaris Eric De Greef. “Eigenlijk is dat verhaal van onze promotie er eentje waar we zelf ingerold zijn zonder het goed te beseffen, want er promoveerden toen vier Brabantse clubs via de interprovinciale eindronde. Op die manier mochten ook vier van de acht eindrondeploegen uit tweede provinciale stijgen. Achteraf bekeken was dat misschien een beetje een vergiftigd geschenk aangezien we daar niet helemaal op voorbereid waren, maar goed. We bestaan volgend jaar 90 jaar en het zou fijn zijn als we die mijlpaal in eerste provinciale zouden kunnen vieren, maar het zou geen ramp zijn als we die feestelijkheden in tweede provinciale zouden moeten houden. Eerlijk gezegd zou dat misschien toch net iets meer ons niveau zijn.”
“Eigenlijk zijn wij op alle vlakken zowat het lelijke eendje van eerste provinciale”, geeft De Greef aan. “Als je kijkt naar infrastructuur, budget, mogelijkheden,… Voor onze inkomsten zijn we zowat volledig aangewezen op onze kantine en op de kleinere sponsors uit de buurt, met hier en daar eens een extra evenement. Dat maakt dat we de laatste jaren onze lidgelden wel wat hebben moeten optrekken, maar vergeleken met andere ploegen uit de buurt zitten we daar wel nog met redelijk democratische prijzen.”
“Bovendien willen we ook echt wel een familiale club blijven, met een goeie en Nederlandstalige sfeer. Dat is tegenwoordig ook niet altijd evident. Door de bevolkingsgroei zitten we hier ook wel met wachtlijsten voor alle categorieën, zeker sinds Alsemberg verdwenen is en Lot mee opgeslorpt werd in het toenmalige Beersel-Drogenbos. Vandaag zijn alle voetbalvelden van de clubs in Beersel eigendom van de gemeente, dus we leven sowieso een beetje bij hun gratie. Al is onze accommodatie dus eigenlijk om het cru te zeggen onwaardig voor eerste provinciale. Het is moeilijk om ons grasveld te onderhouden, terwijl ons synthetisch veld helemaal weg ligt van de kantine en geen beschutting biedt, dus competitievoetbal ligt daar moeilijk. In de jaren 70 was dat hier allemaal nog in orde, maar het beantwoordt al lang niet meer aan de normen van vandaag.”
“We proberen daar zelf wel wat in te investeren, maar wij verlaten ons zowat volledig op de goodwill van de gemeente”, geeft De Greef toe. “Alleen is Beersel niet meteen de meest sportieve gemeente, dus zijn er maar weinig mogelijkheden. Er is nog een omnisportzaal in Lot waar gebasketbald en gevolleybald wordt, maar voor de rest is er enkel het voetbal op de drie sites.”
Brussel schuift op
Ook het behoud van dat Nederlandstalige karakter blijkt daarnaast niet altijd even vanzelfsprekend te verlopen in Huizingen. “We krijgen meer en meer te maken met de verbrusseling van onze gemeente, waar steeds meer Frans gesproken wordt”, knikt De Greef. “We hebben dat de afgelopen jaren stelselmatig zien opschuiven in onze richting. Ik weet niet of dat tegen te houden valt, maar je ziet datzelfde bijvoorbeeld ook in de scholen gebeuren. In dat opzicht zeggen wij tegen Franstalige kandidaat-jeugdspelertjes wel heel duidelijk dat alles hier in het Nederlands gebeurt, daar dringt de gemeente overigens ook op aan. Al onze trainers zijn Nederlandstalig en krijgen van ons de opdracht om in het Nederlands te coachen, maar wij zijn natuurlijk ook geen politieagenten die continu aan de zijlijn blijven staan om te zien of dat wel opgevolgd wordt.”
“Wij boeren voort zoals het gaat, maar ik denk wel dat we redelijk goed bezig zijn ondanks al onze beperkingen. Sinds vorig jaar zitten we bijvoorbeeld nog maar aan zes bestuursleden, dat begint dan toch al wat nipt te worden – zeker aangezien de oudere bestuursgeneratie stilaan aan hun voetbalpensioen begint te denken. Terwijl de lat alsmaar hoger gelegd wordt om een voetbalclub te kunnen leiden. En als onze jeugdtrainers de nodige extra diploma’s halen, moeten we ze ook weer beter betalen. Dat is logisch, maar dan moeten de mensen ook wel begrijpen dat de tijden van 100 euro lidgeld te betalen definitief voorbij zijn.”
En toch blijft men ook in Huizingen positief uitkijken naar de toekomst. “Volgend jaar willen we vooral glans geven aan de festiviteiten rond het 90-jarige bestaan van onze club, en dan kunnen we stilaan uitkijken naar ons eeuwfeest”, knipoogt De Greef. “Het wordt vooral uitkijken naar dat vernieuwde synthetische veld, want dat is intussen toch ook alweer veertien jaar oud en tot op de draad versleten. Normaal gesproken had die heraanleg al gebeurd moeten zijn, maar de gemeente heeft de werken uitgesteld naar mei 2027. Ons eerste terrein is nog een echt grasveld, maar dat proberen we wat te sparen omdat we dat anders niet meer ideaal krijgen om op zondag op te kunnen voetballen.”
Afgelegen Dworp
Onze laatste halte houden we in Dworp, dat in vergelijking met Beersel en Huizingen toch net iets meer afgelegen ligt. En die ligging is soms best voelbaar, klinkt het bij de vierdeprovincialer. “Wij hebben de afgelopen jaren een enorme groei gekend qua ledenaantallen, maar ten opzichte van de andere Beerselse clubs hinken we wel achterop qua infrastructuur”, duidt penningmeester Steven Matton. “Wij hebben twee graspleinen, terwijl er in Beersel en Huizingen wel al een synthetisch veld ligt. Dat maakt dat wij al eens makkelijker trainingen moeten afgelasten om toch maar de wedstrijden in het weekend te kunnen garanderen. De verkiezingsbelofte van het gemeentebestuur was om een kunstgrasveld aan te leggen, maar het blijft en moeilijk dossier. Al ligt de druk nu wel volledig bij hen om hun belofte ook effectief in te lossen.”
“Wij hebben de afgelopen jaren een enorme groei gekend qua ledenaantallen, maar ten opzichte van de andere Beerselse clubs hinken we wel achterop qua infrastructuur”
Steven Matton - Penningmeester FC Dworp
“We merken wel dat sommige jongens niet bij ons willen komen voetballen omdat we geen synthetisch terrein hebben, maar met 300 leden mogen we toch ook niet klagen. Dat komt vooral omdat we ons willen profileren als familiale club waar iedereen elkaar kent en iedereen zich goed kan voelen. Iedereen kan hier bij ons komen voetballen op gewestelijk niveau. Maar het uitblijven van dat kunstgrasveld blijft wel degelijk een handicap vandaag.”
Vlaamse club op een berg
In tegenstelling tot de Beerselse en Huizingse buren blijkt men in Dworp – mede met dank aan die geografische ligging – evenwel minder uitdagingen te kennen op sociocultureel vlak. “We zijn een Vlaamse club en liggen wat op een berg, waar geen trein- of busverbinding met het Brusselse is”, stelt Matton. “Dat zorgt er mee voor dat wij echt nog inzetten op jongens van rond de kerktoren, al hebben we zo ook wel een iets minder grote kweekvijver van mogelijke vrijwilligers. Die zijn bij elke vereniging wel moeilijker en moeilijker te vinden. Vroeger waren dat de gepensioneerden die kwamen helpen, maar tegenwoordig moeten we allemaal langer werken en willen ook de gepensioneerden meer genieten van hun vrije tijd. Al loopt alles binnen de club wel nog steeds zoals het zou moeten, hoor. We weten perfect waar we naartoe willen, ondanks de probleempjes die je altijd en overal wel tegenkomt. Zo vinden we ook altijd nog voldoende jeugdtrainers, onder andere omdat wij hen heel duidelijk steunen in hun verdere ontwikkeling. Als ze cursussen volgen, betalen wij die altijd terug – of toch als ze ook het daaropvolgende seizoen aan de club verbonden blijven.”
“Voor ons is het belangrijkste doel om een familiale club te blijven waar iedereen zich goed voelt”, besluit Matton. “En als er dan jeugdspelers weggekaapt worden door een andere en grotere club, zoals bijvoorbeeld een Rhodienne-De Hoek, dan erkennen wij ook dat dat een stap hogerop is en kunnen we alleen maar fier zijn dat een van onze jeugdspelers daarin slaagt.”
